De impact van de oorlog op je relatie is waarschijnlijk groter dan je beseft.
- En bevrijding daarvan kan ongelofelijk veel betekenen voor de liefde.
Bevrijding van de oorlog omwille van de liefde
Ik schrijf dit als relatietherapeut maar ook als iemand die zichzelf steeds opnieuw een laag dieper tegenkomt in precies die patronen waar ik partners en boardrooms mee begeleid.
Want wat wij lijken te “zijn” blijkt vaak een zorgvuldig opgebouwd antwoord te zijn op omstandigheden die ver voor onze geboorte begonnen zijn.
Mijn eigen geschiedenis draagt, net als zoveel mensen, sporen van o.a. de Tweede Wereldoorlog; niet als directe herinnering maar als onderstroom. Grootouders en ouders die al jong moesten overleven, die abrupt verlies in hun gezin en groot geweld van dichtbij meemaakten. Die moesten vechten, veinzen en overleven.
Zij leerden dat praten over angst, of welke emoties dan ook, geen zin had omdat er simpelweg geen ruimte voor was. In die tijd - en dat is ontwikkelingspsychologisch cruciaal - bestond er überhaupt nauwelijks taal óf aandacht voor innerlijke beleving. Los van de oorlog was het al een tijd waarin vaak hard werken, grote gezinnen, praktische huwelijken, armoede en huiselijk geweld speelde. Veel pijnlijks verdween dan ook al vóór de oorlog onder het tapijt.
Maar wat kinderen nodig hadden om gezond en veerkrachtig op te groeien was precies hetzelfde als nu: behoefte aan co-regulatie, aan spiegelen, aan het mogen voelen en verwoorden van wat er in hen leefde.
Maar ze groeiden op in een tijdgeest waarin overleven centraal stond en van ‘40 tot ‘45 de dagen bestonden uit in leven zien te blijven. Zoveel druk kan een mens niet zomaar verwerken.
Emoties waren dus op z’n best een luxe en op z’n slechtst een bedreiging voor het functioneren onder hoge druk.
Geen plek voor emoties
Wat gebeurt er met een kind of adolescent dat leert dat zijn angst geen plek heeft? Dat zijn verdriet moet inslikken omdat er grotere zorgen zijn? Het zenuwstelsel past zich aan. Het kind splitst als het ware: een deel blijft voelen, maar wordt naar de achtergrond geduwd; een ander deel leert functioneren, doorgaan, zich aanpassen. In de taal van de ontwikkelingspsychologie: adaptatie wordt belangrijk, integratie kan niet plaatsvinden. Overleven wordt belangrijk, het ervaren van het gevoel bijna onmogelijk.
Mijn grootouders, zoals zovelen uit die generatie nog maar heel jong of jong volwassen, groeiden op in die staat van paraatheid. Misschien jouw ouders wel.
Na 5 mei kwamen de jaren van wederopbouw. Daar zat ongelooflijk veel kracht in, een bijna heroïsche gerichtheid op vooruitgang. Maar diezelfde kracht had een prijs: er was geen tijd om stil te staan bij de pijn en wat verloren was gegaan.
Al was er tijd geweest, men had niet eens geweten hoe. En dus werd er gewerkt. Hard gewerkt. Er werd gelachen; vaak luid en overtuigend maar vanbinnen was het koud of leeg. Er werd gezorgd dat de buitenkant klopte. Schoenen gepoetst. Huizen opgebouwd. Gezinnen gesticht. Maar de schade die was veroorzaakt door diepe angst werd niet bekeken.
Hard werken
In mijn systeem van herkomst herken ik dat als een overlevingsprincipe: hard werken vanwege de angst voor geldtekort, blijven lachen, blijf gaan. Zelfs als er geen echte noodzaak is.
Misschien herken je thema's.
Er waren namelijk veel vrouwen die bij afwezigheid of beschadiging van hun mannen, een enorme daadkracht ontwikkelden maar mede daardoor leerden maskeren wat er werkelijk speelde. Niet uit onwil maar uit noodzaak. Mannen, als ze al terugkwamen, vaak nog minder zeiden dan daarvoor vanwege de afschuwelijke dingen die ze mee hadden gemaakt. Er waren werkkampen en plekken waar mensen dingen hebben meegemaakt die zich nauwelijks laten verwoorden. Veel grootvaders en vaders konden met hun diepe wonden nergens heen waardoor de periode van wederopbouw en vereende kracht, ook veel huiselijk geweld en alcoholverslaving kent.
Er ontvouwde zich een samenleving die zei: wees dankbaar dat je nog leeft. Dat je te eten hebt.
Generaties
De generatie die rond die tijd werden geboren, vaak de babyboomers, groeide dus op bij ouders die fysiek aanwezig waren maar emotioneel vaak beperkt beschikbaar. Niet omdat ze niet wilden maar omdat hun eigen binnenwereld te beladen of te ontoegankelijk was geworden door alles wat ze (onbewust) bij zich droegen.
Wat een kind nodig heeft, emotionele afstemming, het gevoel dat zijn innerlijke wereld ertoe doet, werd vaak gemist. Niet altijd dramatisch, maar juist in die kleine momenten: een blik die net niet landt, een gevoel dat wordt weggewuifd, een ouder die snel weer overgaat tot of alleen maar oog heeft voor orde en structuur. Een vader die zelden thuis is omdat er geld nodig is, een moeder die overvraagd is vanwege kinderen die haar missen wel iets teveel zijn..
Zo ontstaat een generatie die goed functioneert, die bouwt, die zorgt, maar die vaak een zekere vervreemding van het eigen gevoelsleven met zich meedraagt. Overigens; zónder dit zelf te weten. Tenslotte was dit de generatie van heel hard werken en grote welvaart. Emoties hadden gewoonweg weinig weerklank in de huwelijken en opvoeding.
En dan komt de lichting daarna: mensen die opgroeien in veilige omstandigheden maar met een erfenis van patronen in de liefde die we zelden zien, laat staan begrijpen.
Wij hebben dankzij de tijdgeest van een welvaartseconomie, scholing en internet vaak meer taal gekregen voor emoties, meer ruimte om te reflecteren maar nog nauwelijks of onvoldoende voeding en scholing op ‘hoe emotioneel welzijn en de liefde werkt’.
We praten er misschien al wel meer over, we begrijpen wel dat we een puzzelstuk missen maar we vóelen niet hoe het werkt.
Want alhoewel we zoveel hebben en kunnen, schuurt het dankzij toenemend bewustzijn óók.
Onbewuste draden van de oorlog
In mijn eigen leven merk ik hoe de lijnen van de tweede wereldoorlog doorlopen. Ik voel niet bewust de pijn van wat er ooit is gebeurd maar bijvoorbeeld wel de drang om te presteren, om veiligheid te creëren, om controle te houden. Er zit een diepe beweging in mij die zegt: zorg dat je het goed doet, zorg dat je niet afhankelijk bent, zorg dat je veilig blijft. Dat veilig houden van mezelf en van de ander is nog steeds actief: niet in het zoeken van een letterlijke schuilkelder maar wel als psychologische reflex wanneer iemand bang is of hulpeloos. Of wanneer ik me eigenlijk overspoeld of bang voel; dan functioneer ik nog wel maar mijn gevoel schakelt uit. Misschien herken je het: cognitief doe je de juiste dingen. Je kunt werken, boodschappen doen en zelfs je ontspanning plannen maar het heeft geen bezieling. Je bent er niet echt bij betrokken.
Soms subtiel, soms heel direct maar altijd op de achtergrond als een soort codering in mijn zenuwstelsel - en ik zie het eigenlijk bij de massa in onze samenleving- die op onverwachte momenten ineens geactiveerd kan worden. Of zelfs doorlopend aanwezig is.
In relaties zie ik dan datzelfde mechanisme terug bij de stellen en boardrooms die ik begeleid. Het kan er zo uitzien:
“Waarom werk je altijd door?” vraagt een partner.
“Omdat het moet,” zeg de ander dan misschien. “Als ik het niet doe gaat het mis.”
Maar onder dat “moeten” ligt vaak iets anders: een oud ‘familie-weten’ dat stilstand gevaarlijk is, dat falen consequenties heeft. Dat veiligheid iets is wat je actief moet bewaken en succesvol zijn een diepe plicht.
Of het klinkt zo:
“Ik heb het gevoel dat je er niet echt bent,” zegt zij. “Ik mis de verbinding.”
“Ik ben er toch?” is het antwoord. “Wat wil je nog meer?”
En ergens klopt dat: fysiek aanwezig, verantwoordelijk, zorgend. Maar emotioneel zit er een laag tussen. Niet omdat er geen liefde is, maar omdat nabijheid ook betekent dat oude, niet-verwerkte lagen aangeraakt kunnen worden.
Je bent niet je patronen
Wat mij steeds opnieuw raakt, is hoe deze patronen vaak worden gezien als persoonlijkheid. “Zo ben ik nu eenmaal.” Terwijl, als we vertragen en terugkijken, we zien dat het vaak gaat om aangeleerde vormen van bescherming tegen iets dat ooit reëel was: oorlog, verlies, onderdrukking, onveiligheid.
En dat geldt uiteraard niet alleen voor de tweede wereldoorlog. Ook andere grote culturele trauma’s zoals oorlogen die buiten onze leefwereld vallen, de slavenhandel of de genocide, laten zien hoe diep zulke ervaringen kunnen doorwerken. Niet alleen in expliciete verhalen, maar in lichaam, in relaties, in hoe mensen betekenis geven aan zichzelf en de ander.
Dader- en slachtofferdynamieken kunnen generaties lang doorleven, soms zichtbaar, soms in subtiele vormen van wantrouwen, controle, onderwerping of juist vermijding.
De kans van deze tijdgeest
Wat mij hoop geeft, is dat wij in deze tijdgeest vaak de eersten zijn die stil kúnnen staan. Die kunnen zeggen: wacht even, wat draag ik eigenlijk? Wat voelt als échte levensvreugde en wat is eigenlijk een inscriptie van langer geleden?
Niet om ergens van los te komen in de zin van afstand nemen, maar om te begrijpen. Want begrip opent ruimte.
In mijn werk probeer ik dat werkbaar te maken, juist in de intimiteit van een partnerrelatie. Niet door het verleden eindeloos te analyseren maar door in het hier en nu te herkennen wat er gebeurt.
Als iemand zegt: “Ik trek me terug omdat ik ruimte nodig heb,” kan daaronder liggen: nabijheid roept spanning op die ik nog niet kan reguleren.
Als iemand zegt: “Ik heb je nodig, waarom ben je er niet?” kan daaronder liggen: ik draag een oud gemis van nabijheid omdat er niemand écht was voor mij."
Een gemis dat ooit in de geschiedenis ontstond en zich hier opnieuw aandient.
En als we dat voorzichtig zichtbaar maken, ontstaat er iets nieuws. Dan kan een gesprek verschuiven van verwijt naar nieuwsgierigheid:
“Het lijkt alsof ik me afsluit als het dichtbij komt,” zou iemand kunnen zeggen.
“En ik merk dat ik dan juist harder ga trekken,” zegt de ander.
Daar, in dat moment, wordt zichtbaar dat het niet gaat over goed of fout maar over twee geschiedenissen die elkaar ontmoeten in heden.
Voor mij persoonlijk betekent dit dat ik mezelf steeds opnieuw moet bevragen. Wanneer ik doorwerk, wanneer ik controle wil houden, wanneer ik me sterk en onafhankelijk wil voelen: is dat dan wie ik ben? Of is het een echo van wat ooit nodig was?
En misschien is het antwoord wel beide. Misschien ben ik gevormd door die geschiedenis en heb ik tegelijkertijd de mogelijkheid om er iets nieuws aan toe te voegen. Om, heel voorzichtig, ruimte te maken voor wat er destijds niet kon zijn: vertraging, voelen, afhankelijk durven zijn.
Het hoeft namelijk niet weg maar als ik er geen bewustzijn op heb dan herhaal ik dat patroon blind. Dan leer ik bijvoorbeeld aan mijn dochter dat de wereld in principe niet veilig is en ze altijd onafhankelijk en sterk moet blijven.
Bevrijding van de oorlog vraagt meer
Dat lijkt dienend maar het tegenovergestelde is waar: ze zal zich net als ik lang gedaan heb, in een bepaalde mate wapenen en overwerken en echte kwetsbaarheid en intimiteit vermijden om veilig te blijven. Terwijl er geen werkelijk gevaar dreigt, het is maar een oude codering die door de generaties heen loopt. Maar omdat ze wél zal ervaren dat het onveilig is omdat mijn zenuwstelsel altijd op scherp staat, zal ze ook díe situaties aantrekken of mede-creëeren. Dan welliswaar in een andere tijdgeest maar de onbewuste bril blijft hetzelfde. Zo projecteert ze angst van generaties terug, op een toekomst die er nog niet eens is.
Daarmee snijdt ik een deel van de levensstroom voor haar af en dus heb ik het, met alle respect voor mijn eigen verhaal en mogelijkheden, anders te leren doen.
Dat voelt soms als tegen de stroom in bewegen. Maar misschien is dat precies wat we te doen hebben: niet alleen voortbouwen of beschermen van onze eigen en collectieve welvaart maar just stilstaan bij wat daarin verloren is gegaan of zich nog niet eerder ontwikkelen kon. Zodat wat zich generaties lang heeft moeten aanpassen, langzaam mag groeien naar iets dat meer heel en vrijer voelt.
Wij met elkaar.
Want ik praat ondertussen gemakkelijk over mijn eigen geschiedenis en patronen maar geen mens is zonder.
Herhaling voorkomen begint met bewustzijn
Want als we uitzoomen naar het grotere geheel, zien we dezelfde dynamiek van de mens met de bril die denkt dat het onveilig is, op collectief niveau terug. Geschiedenissen van onderdrukking, vernedering en geweld -zoals bij de Tweede Wereldoorlog en alle andere oorlogen en culturele trauma’s- laten zien hoe diep wonden kunnen inslijten in een collectief bewustzijn.
Wanneer die wonden niet worden erkend en verwerkt, kan een volk of een groep zich blijven organiseren rondom die oorspronkelijke pijn. Er ontstaat dan een voortdurende alertheid, een gevoel dat het gevaar nooit echt voorbij is. En vanuit dat gevoel kunnen nieuwe vormen van agressie, uitsluiting of strijd ontstaan, vaak gerechtvaardigd door het verleden.
Het verlangen daaronder is bijna altijd hetzelfde: erkenning, veiligheid, bestaansrecht. Maar wanneer dat verlangen alleen via strijd en controle vorm krijgt, herhaalt de geschiedenis zich, zij het in een andere gedaante.
Wat mij hierin raakt, is dat het ons uitnodigt tot een andere manier van kijken. Niet om daderschap goed te praten, en ook niet om slachtofferschap te romantiseren, maar om te zien dat beide posities vaak met elkaar verweven zijn wanneer er geen ruimte is geweest voor verwerking.
5 mei begint elke dag weer met mij
En dat brengt het terug naar het meest intieme niveau: mijn eigen leven, mijn eigen relaties.
Waar in mij zit nog een stuk dat zich klein voelt, ongezien, onveilig? En wat doe ik op het moment dat dat stuk geraakt wordt? Trek ik me terug, ga ik controleren, word ik hard, of juist overdreven zorgend?
Het zijn geen makkelijke vragen. Maar misschien zijn het wel precies die vragen die voorkomen dat wat ooit met mij is gebeurd doordat het mijn ouders gebeurde, doordat het hún ouders gebeurde, zich via mij herhaalt in mijn relaties, in mijn kind, in de wereld om mij heen.
Want ook of misschien wel juíst de relatie met de wereld, met mijn werk, met mijn gevoel van zingeving, maken dat ik via mijn competenties en relaties -mijn cirkel van invloed- oorlog voer of bevrijding creëer.
En misschien is dat de stille verschuiving waar we deel van uitmaken: dat we leren herkennen hoe dicht slachtoffer en dader soms bij elkaar liggen in één en hetzelfde menselijk hart en dat we, juist door dat te zien, ook als de groep waar we onderdeel van uitmaken, een andere beweging kunnen kiezen.
Als je dit zo leest en voelt, ben ik benieuwd: waar in jezelf herken je de draden van de bezetting het meest? Is het meer dat harde doorgaan en veilig houden, of juist dat stukje dat zich soms ongezien of onvervuld voelt in contact?
Ik vier vandaag de mensen aan wie ik mijn letterlijke vrijheid te danken heb maar ook de vrijheid om dit soort vragen te stellen in werk en leven. Ik ben hen diep, diep dankbaar voor alle offers die zij maakten. Voor alle welvaart die we nu kunnen ombuigen naar welzijn.
Vandaag dank ik hen voor ons leven en de top van de pyramidevraag: waarover gaat nu werkelijk een vrij bestaan.
Stefanie Hofmeester
Schrijf ons direct via WhatsApp